Holocaust overlevenden schandalig behandeld in Nederland

Door: Franklin ter Horst (Aangemaakt: 18 april 2022 )

Van de naar schatting 140.000 Joodse inwoners die ons land voor de oorlog telde, werden zo’n 107.000 gedeporteerd afkomstig uit zo’n 450 gemeenten; bijna 102.000 kwamen om het leven. Ze werden vermoord in de concentratiekampen of stierven er door honger, ziekte en uitputting. Toen de Amerikaanse opperbevelhebber van de geallieerde strijdkrachten, generaal Dwight Eisenhower, de slachtoffers van de dodenkampen zag, gaf hij opdracht om zoveel mogelijk foto’s te maken: ”leg alles nu vast -maak films - zorg dat er getuigen zijn -want ergens in de geschiedenis zal er iemand opstaan en zeggen dat dit nooit is gebeurd.”Wat ook niet vergeten mag worden is hoe mensonwaardig een deel van de Holocaust overlevenden bij terugkeer in Nederland zijn behandeld. In het boek Eindstation Auschwitz wat Eddy de Wind heeft laten herdrukken, staan schokkende voorbeelden.

Men had niet meer op hun terugkeer gerekend en alles wat te roven viel, geroofd. Een van de voorbeelden die in het boek Eindstation Auschwitz staan vermeldt gaat over Ab Schusters, zoon van de Amsterdamse rabbijn, later opperrabbijn, Aron Schuster. In zijn geval kwam de eerste klap toen hij met zijn vader en moeder in een Amerikaanse legertruck bij Valkenburg de grens passeerde. Het gezin had concentratiekamp Bergen-Belsen (waar Margot en Anne Frank om het leven zijn gekomen) en in april 1945 een transport per goederentrein door het ineenstortende Derde Rijk overleefd.

Foto gemaakt door mijn kleindochter Shannon Jacobs, tijdens ons bezoek aan Bergen-Belsen in 2019.

Bij kasteel Oost zag Ab Schusters twee marechaussees staan. Hij hoorde de één tegen de ander zeggen: “Oh daar heb je ze weer. Hadden ze ze niet allemaal kunnen vergassen?”Een vijandige of volstrekt empathieloze houding ten opzichte van Joden, ondanks alles wat was gebeurd, het was volgens Schuster eerder regel dan uitzondering de eerste jaren na de oorlog. Hij hoorde talloze van dit soort verhalen. Leden van zijn vaders gemeente kwamen bij hen thuis om hun hart te luchten. “Mensen kwamen terug in een leeggeroofd huis waar wel de rekening van het energiebedrijf lag of ze die nog even wilden betalen voor de jaren dat ze weg waren geweest. “Mijn vader kwam vaak huilend thuis omdat hij weer iemand van het touw had moeten halen. Ze vertelden mijn vader dat ze niet meer verder wilden, omdat ze niet wisten hoe dat moest nadat ze alles en iedereen waren kwijtgeraakt. Er waren zoveel zelfmoorden”

Ter gelegenheid van tien jaar bevrijding werd een scala aan autoriteiten uitgenodigd om te speechen in de Amsterdamse Nieuwe Kerk. Onder hen was opperrabbijn Schuster. Voor het gezelschap van gezagsdragers en leden van het Koninklijk Huis stelde Schuster vast dat: “een antisemitische ideologie haar sporen in Nederland had nagelaten, zelfs in kringen waar dit voorheen ondenkbaar was geweest.” Achter die wat cryptische woorden school volgens zijn zoon woede over de manier waarop Nederland met de teruggekeerde Joden omging.

De systematische vervolging en deportatie van Joden begon in 1942 nadat de Duitse bezetter eerder al een serie anti-Joodse maatregelen had genomen. Ook de passieve houding van de Nederlandse regering en koningshuis in ballingschap tijdens de deportatie van de Nederlandse Joden gedurende de Tweede Wereldoorlog, is ronduit schokkend.

Toen de oorlog afgelopen was keerden tien miljoen vluchtelingen terug naar huis en haard. Dit voorrecht was voor de meeste overgebleven joden niet weggelegd. Hun gezinnen en families waren uitgeroeid en gemeenschappen waarvan zij deel hadden uitgemaakt waren in de meeste gevallen volledig verdwenen. De enkeling die bevrijd werd stond bijna naakt voor de wereld, gehuld in een gevangenenuniform met schoenen met houten zolen eraan. Ze bezaten niets, zelfs geen ondergoed, sokken of een zakdoek. Velen waren mager als skeletten, vel over been.

Zij die na al de jaren van verschrikking huiswaarts keerden ontdekten dat ze van hun bezittingen waren beroofd. Velen van hen werden niet eens meer binnengelaten in hun eigen huizen. De vroegere buren deden alsof ze hen niet kenden. Hun eigen schilderijen hingen nog aan de muur en hun meubilair stond nog in de kamer. En zo ging het in heel gelovig Europa!

Ze kregen de rekening alsnog gepresenteerd: of ze alsnog de achterstallige belastingen en premies wilden betalen met bijkomende kosten. Voor vele, ook lokale ambtenaren was het weer business as usual. De krant de Gelderlander publiceerde op 18 april 2021 een artikel waarin bijvoorbeeld de gemeente Arnhem zich in de naoorlogse periode kil en zakelijk heeft gedragen tegen de teruggekeerde Joodse inwoners uit hun onderduikadressen of zelfs concentratiekampen. Ze werden in Arnhem zonder enig meegevoel ontvangen. Joodse families en nabestaanden moesten rechtszaken voeren tegen de gemeente om hun onteigende woningen en inboedels terug te krijgen.

Meer dan 10.000 Joodse woningen werden geroofd en doorverkocht door makelaars, notarissen en gemeenten voor eigen stadsvernieuwing, zoals ook dit rijtje in Amsterdam. Van teruggave was geen sprake meer [beeldbron: Stadsarchief Amsterdam]

Vaak was hun kostbare bezit doorverkocht aan ondernemers en vastgoedhandelaren, die zo zeer voordelig een prachtlocatie in handen kregen. De Duitsers legden al deze transacties vast in Verkaufsbücher. De transacties hadden een waarde van bijna honderd miljoen gulden, wat neerkomt op 581 miljoen euro. De documenten kwamen na de oorlog terecht in het Nationaal Archief in Den Haag, waar ze zijn gedigitaliseerd. Journalisten van platform Pointer doken in het archief en wisten van vijfduizend panden en kavels de locatie te achterhalen. In sommige gevallen kocht de gemeente zelf het geroofde vastgoed en deed dit later met mogelijk veel winst weer van de hand. De winst van de nazi’s ging naar een collectieve rekening van de roofbank Lippmann en Liro, waar onder meer kamp Westerbork, kamp Vught en de deportaties naar andere kampen van werden betaald.

Over de terugkeer en opvang van de Joden zijn vele getuigenissen geschreven in het boek de Boekhouders van de Holocaust. “Ze werden niet meer verwacht”. Er zijn talrijke voorbeelden van formalistische ambtelijke onverschilligheid jegens de terugkerende Joden, maar ook bij de lokale ambtenaren en zelfs burgemeesters die geen aandacht besteedden aan brieven van teruggekeerde burgers die informeerden naar mogelijke overlevende familieleden uit dezelfde woonplaats. In die zin was er sprake van continuïteit in het beleid tijdens en na de oorlog.

In het boek 'Jodenjacht; De onthutsende rol van de Nederlandse politie in de Tweede Wereldoorlog' van Ad van Liempt en Jan Kompagnie, staan gruwelijke zaken maar ook de rol van het merendeel van de notarissen in Nederland die tijdens de Tweede Wereldoorlog betrokken waren bij de verkoop van huizen van Joden. Dat blijkt uit een groot onderzoek naar het notariaat tijdens de bezetting waarop rechtshistoricus Raymund Schütz is gepromoveerd aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Werden andere beroepsgroepen als de politie, burgemeesters en de advocatuur wel onderzocht, het notariaat bleef onderbelicht. Schütz schreef er het boek Kille Mist over. De historicus toont aan dat het hoofdbestuur van de Broederschap der Notarissen een spilfunctie had bij de doorverkoop van Joodse huizen. Volgens hem was er van een voorliefde voor het nationaalsocialisme nauwelijks sprake. Wel lichtte het hoofdbestuur de globale anti-Joodse maatregelen nader toe in het Correspondentieblad, het orgaan van het notariaat. Dit gebeurde mede onder druk van de leden die snelle en goede informatie verlangden over de uitvoering van de maatregelen van de bezetter.

 

Franklin ter Horst

E-mail: Hijkomt@hetnet.nl

Terug naar: Inhoud