Uit het nieuws 13-03-2017

Door: Franklin ter Horst

Zal de derde Tempel in Jeruzalem spoedig worden herbouwd? (deel 3)

Sommigen geloven dat ook de Ark van het Verbond weer onderdeel moet gaan uitmaken van de nieuw te bouwen Tempel. De Ark is ťťn van de meest fascinerende van alle Tempel-gerelateerde voorwerpen. Er bestaan heel wat theorieŽn over de verblijfplaats van deze Ark. Sommigen denken dat het heilige voorwerp door de Romeinen in het jaar 70 na Christus naar Rome is meegenomen, samen met andere Tempelschatten waaronder de Menorah. Na de verwoesting van de Tempel werd ter ere van de veldheer en keizer Titus in Rome een triomfboog gebouwd, waarop de Menorah is te zien met de tafel der toonbroden en twee zilveren trompetten. Maar geen Ark. Dat kan ook niet want die was in die tijd al eeuwen uit beeld verdwenen. Velen vragen zich af of de Ark nog bestaat en zo ja, waar hij kan zijn gebleven?

De Ark werd op bevel van Mozes vervaardigd. (Exodus 25:10 t/m 22 en 37:1 t/m 9). De Ark is bekend onder een aantal verschillende namen zoals "De Ark des Heren","De Ark van God","De Ark van het verbond " en "De Ark van de Verbondsakte". De Ark begeleidde de IsraŽlieten op hun tocht door de woestijn. Zij speelde een rol bij het overtrekken van de rivier de Jordaan, bij de inneming van Jericho en bij de intocht in Kanašn. In de tijd van de Richteren werd zij in het heiligdom van Silo bewaard.

Na 20 jaar onder de hoede te hebben gestaan van Eleazar, de zoon van Abinadab, kwam de Ark weer in beeld toen David eraan herinnerd werd. (II SamuŽl 6:1 t/m 23). Deze haalde de Ark daar weg maar de tocht naar Jeruzalem werd onderbroken door de dood van Uzza. Na drie maanden lang in het huis van de Gattiet Obed-Edom, te hebben gestaan, bracht David de Ark tenslotte naar de stad Jeruzalem waar zij later door zijn zoon Salomo in het "Heilige der Heiligen" in de Tempel werd geplaatst.

Ark des Verbonds, ook wel Ark des Heren

Het verdere lot van de Ark is ťťn van de meest intrigerende historische vraagstukken. In het Ethiopische geschrift de "Kebra Negast" staat dat de Ark door Baina Lehkem, (ook wel Ibna Hakim), de zoon van koning Salomo en de koningin van Scheba, rond 1000 v.Chr., uit Jeruzalem zou zijn meegesmokkeld naar Aksoem in EthiopiŽ. Aan het bezit van dit heiligdom dankt Aksoem zijn positie als religieus centrum van het Koptische christendom.

Tijdens de Italiaans-Abessijnse oorlog van 1935-1936 zou de Ark door de Italianen zijn geroofd en uit Aksoem naar Rome zijn meegenomen alwaar zij zich zou bevinden in ťťn van de geheime kelders van het Vaticaan net als de andere in het jaar 70 geroofde heiligdommen uit de Tempel. Niemand schijnt de waarheid van dit gerucht te kunnen bevestigen en woordvoerders van het Vaticaan hebben zich nooit geroepen gevoeld om vragen hieromtrent te beantwoorden.

Een ander verhaal is dat de Ark door Sisak de koning van Egypte zou zijn geroofd. De Bijbel vertelt dat na de dood van Salomo, tijdens het bewind van Rehabeam, Sisak de koning van Egypte optrok tegen Jeruzalem.

2 Kronieken 12:9 Sisak dan, de koning van Egypte, trok op tegen Jeruzalem en nam de schatten van het huis des Heren en van het huis des konings, alles nam hij. Ook nam hij de gouden schilden die Salomo gemaakt had.

Sisak zond volgens Egyptische bronnen in 930 voor Christus een militaire expeditie naar IsraŽl waarbij Jeruzalem en de Tempel werden geplunderd. Alles wat uit Jeruzalem is meegenomen is door Sisak vastgelegd op de muren van de tempel te Karnak in Egypte. De beschrijvingen van het geroofde meubilair en gerei, de gouden schilden en de gouden wagens uit de tijd van Salomo komen volmaakt overeen met wat de Bijbelboeken Koningen en Kronieken schrijven. De Ark wordt echter niet genoemd en ook niet in de uitvoerige lijst van schatten die Nebukadnezar in 587 voor Christus uit de Tempel had geroofd. Ook in de nauwkeurige opsomming van het tempelinventaris onder de Perzische koning Kores staat de Ark niet vermeld. Kores liet namelijk alle heilige tempelvoorwerpen inventariseren voordat ze teruggegeven werden aan Sesbazzar de prins van Juda, zoals in Ezra 1:7t/m 11 valt te lezen.

De laatste Bijbelse verwijzingen naar de Ark zijn te vinden in de boeken (Jesaja 37:14-15-16), ( 2 Koningen 19:15) en (Jeremia 3:16). De teksten in Jesaja en 2 Koningen hebben betrekking op koning Hizkia die in de Tempel een emotioneel beroep doet op de "Here die troont op de cherubs" om de leiding te nemen in de strijd tegen de Assyrische koning Sanherib, die Jeruzalem trachtte te veroveren. De profeet Jeremia verzekerde de inwoners van Jeruzalem dat ze eens over het verlies van de Ark heen zouden komen; dat niemand ooit nog zou vragen waar de Ark gebleven was.

Jeremia 3:16 Als gij u dan vermeerdert en vruchtbaar wordt in het land in die dagen, luidt het woord des Heren, dan zal men niet meer spreken over de ark van het verbond des Heren; zij zal niemand in de zin komen, men zal aan haar niet meer denken en haar niet zoeken, en zij zal niet weder gemaakt worden.

De Bijbel geeft verder geen enkel uitsluitsel waar de Ark gebleven is. In het apocriefe boek 2 MakkabeeŽn, hoofdstuk 2:4 t/m 7, staat dat de profeet Jeremia op Goddelijke ingeving de Verbondstent en de Ark liet halen en haar verborg in een rotsspelonk. Jeremia haalde het heilige object weg uit de stad en verborg het in de berg vanwaar Mozes (de berg Nebo) het land IsraŽl had overzien vůůr zijn dood. Jeremia plaatste de tent, de Ark en het reukofferaltaar in een grot en sloot de toegang af. Diverse onderzoekers zijn daarom van mening dat de berg Nebo de schuilplaats van de Ark moet zijn. Enkelen van hen die Jeremia hadden vergezeld, gingen later terug om de weg met tekens te markeren, maar ze konden de grot niet meer vinden. Toen Jeremia dit te horen kreeg, zei hij verwijtend: Die plek zal onbekend blijven totdat God Zijn volk weer samenbrengt en Zich erover ontfermt. De toegang is tot dusver afgesloten en niemand weet waar deze toegang is. Niemand kan daar op eigen kracht naar toe. De organisaties die voorbereidingen treffen voor de herbouw van de Tempel geloven dat de Ark niet opnieuw gemaakt hoeft te worden omdat men op gezette tijd de schuilplaats door een goddelijke ingeving te weten zal komen.

Het is bekend dat de Tempeliers tijdens de kruistochten naar de Ark des Verbonds hebben gezocht. Zij geloofden dat de ark diep onder de Tempelberg verborgen moest liggen. Tobias Daniel Wabbel schreef in zijn boek ďDe schat van de TempeliersĒ, dat de Tempeliers in het geheim opgravingen onder de tempelberg deden en de schuilplaats van de Ark daar ook daadwerkelijk gevonden zouden hebben. Deze zouden ze dan mee naar Europa hebben genomen en uiteindelijk verborgen in de kathedraal van Laon in Noord Frankrijk waar ze tot op heden begraven zou zijn. Een bewijs daarvoor werd echter niet geleverd.

Rabbijn Shlomo Goren en Rabbi Yehuda Getz, geloven niet dat de berg Nebo de schuilplaats is maar dat de Ark is verborgen in een grot onder het Tempelplein direct onder het Heilige der Heiligen, sinds de tijd van Koning Josia.

Volgens het in Jeruzalem gevestigde Tempelinstituut is de exacte locatie van de kamer bekend waarin de ďArk van het VerbondĒ zich zou bevinden, onaangeroerd, wachtend op de dag dat het tevoorschijn zal worden gebracht. Een paar jaar geleden zijn er graafwerkzaamheden verricht in de richting van deze kamer, maar deze zijn na hevige protesten van Mohammeds volgelingen gestaakt. De traditie wil dat Koning Salomo bij de bouw van de Eerste Tempel, rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat toekomstige veroveraars de Ark mee zouden nemen en de Tempel in de as zouden leggen. Dus Salomo, de wijste aller mensen, liet een systeem van labyrinten, corridors en kamers aanleggen onder het huidige tempelcomplex. Hij gaf opdracht een speciale plaats te bouwen om daar de religieuze voorwerpen uit de Tempel in op te bergen in geval van belegering van de stad Jeruzalem.

Joodse overleveringen vertellen dat Koning Josia van IsraŽl, die leefde ongeveer 40 jaar vůůr de verwoesting van de Eerste tempel, in 587 voor Christus, de Levitische priesters de opdracht had gegeven de Ark te verbergen, samen met de Menorah en andere voorwerpen, in de geheime kamer die Salomo had laten aanleggen. Ook de staf van Ašron (Numeri 17) zou in deze kamer zijn opgeborgen. Ook Michael Rood zegt op basis van Bijbelteksten te kunnen bewijzen dat de Ark onder het huidige Tempelplein moet liggen.

Het begint steeds duidelijker te worden, dat de Tempelberg bij het conflict in het Midden-Oosten een centrale plaats zal innemen. Veel christenen zullen in de plannen en voorbereidingen voor de herbouw van de Tempel, de in Bijbelse profetieŽn voorzegde komst van de antichrist zien.

Anderen geloven daar juist helemaal niets van en denken dat het gaat om de Tempel van EzechiŽl en staan daarom volledig achter de plannen van de organisaties die zich thans met de herbouw van de Tempel bezig houden. Zij denken, overigens met goede bedoelingen, Gods volk daarmee een hart onder de riem te steken en hun steentje bij te dragen aan de vervulling van de profetie dat Jezus straks vanuit deze nieuwe Tempel zal regeren in het Duizendjarige Vrederijk. Zowel het Tempelinstituut als ook de ĎGetrouwen van de Tempelbergí hebben door deze visie door de jaren heen aanzienlijke financiŽle steun gekregen van goedgelovige, emotiegeleide christenen uit de hele wereld. Volgens een artikel in ĎIsrael Todayí van 30 September 2014 is gedurende een internationale giftencampagne van twee maanden voor de bouw van de 3e Tempel alleen al bij het Tempelinstituut meer dan 100.000 dollar binnengekomen van ruim 900 gevers uit 30 landen. De directeur van het Tempelinstituut, rabbi Chaim Richman, lichtte toe dat men bij de internationale donatiecampagne op sociale netwerken zoals YouTube, Facebook en Twitter heeft ingezet. ďWij proberen zoveel mogelijk mensen te betrekken bij onze opdracht de Heilige Tempel weer op te bouwen, verklaarde hij. Op zich is de financiŽle bijdrage die de christenen leveren wel een nobel streven, maar is het ook Bijbels verantwoord? Sommige stromingen binnen het orthodoxe Jodendom denken van niet en zeggen dat men uitgaat van een foutieve veronderstelling. Zij geloven beslist niet dat de Tempel die nu op stapel staat dezelfde Tempel is dan die door de profeet EzechiŽl wordt beschreven.

Zij zien het bouwen van een 3e Tempel als de taak van de Messias, die het huis van David zal laten herleven, en niet van een zelfbenoemde bouwcommissie die zich thans met de herbouw van de Tempel bezig houdt. Met name het Chassidisch Jodendom ziet degenen die de 3e Tempel met hun eigen handen willen bouwen in het algemeen als afvalligen en ketters. De meningen binnen het Jodendom zijn dus sterk verdeeld. Ook binnen het christendom is dat het geval. Zo zijn er christenen die geheel achter de visie van het Tempelinstituut staan terwijl anderen denken dat het hier niet om een reŽle, maar om een geestelijke Tempel gaat. Zij zijn van mening, dat er in de Bijbelse profetieŽn geen Tempel van steen, maar een Tempel van de lichamen der gelovigen wordt bedoeld. Zij baseren hun opvatting op 1 KorinthiŽrs 6:19, waarin Paulus schrijft: ďOf weet u niet, dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest die in u woontÖ

Natuurlijk is het helemaal waar, dat de geestvervulde gelovigen al bijna 2 millennia samen de Tempel van de levende God vormen, hetgeen in 2 KorinthiŽrs 6:16 wordt bevestigd: ďWij toch zijn de tempel van de levende God, gelijk God gesproken heeft: Maar dat wil nog niet zeggen, dat er in de eindtijd geen 3e Tempel van steen gebouwd zal worden. De geestelijke Tempel heeft toch in zijn beginperiode ook nog ruim 40 jaar naast de tweede stenen Tempel bestaan, die pas in het jaar 70 na de gewone jaartelling werd verwoest?

Dat er in de eindtijd daadwerkelijk weer een functionerende stenen Tempel in Jeruzalem zal staan blijkt duidelijk uit de opdracht die Johannes in het visioen over de twee getuigen heeft gekregen. Deze zullen zich manifesteren in de eindfase van het huidige wereldbestel en niet pas nŠ de terugkomst van Jezus. ďEn mij werd een riet gegeven, een staf gelijk, met de woorden: Sta op en meet de Tempel Gods en het altaar en hen, die daarin aanbidden.Ē (Openbaring 11:1). Dit is dus in geen geval de Tempel die door de profeet EzechiŽl beschreven is. Dat wordt ook nog eens extra duidelijk gemaakt door de profeet Zacharia. In Zacharia 6:12-13 staat namelijk: Zo zegt de Here der heerscharen: zie, een man, wiens naam is Spruit. Deze zal uit zijn plaats uitspruiten en Hij zal de Tempel des Heren bouwen. Ja, hij zal de Tempel des heren bouwen en hij zal met majesteit bekleed zijn en als heerser zitten op zijn troon; en hij zal priester zijn op zijn troon...Ē

Wie is deze Spruit? Kennen wij een priesterkoning in de Bijbel, die ĎSpruití genoemd wordt? Ja, want in Jeremia 23:5-6 komen wij deze Spruit inderdaad tegen: ďZie, de dagen komen, luidt het woord des Heren, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; die zal als koning regeren en verstandig handelen, die zal recht en gerechtigheid doen in het land. In Zijn dagen zal Juda behouden worden en IsraŽl veilig wonen; en dit is Zijn naam, waarmede men Hem zal noemen: de Here Eeuwige onze gerechtigheid.

De rechtvaardige Spruit, die de Tempel zal bouwen en als priester koning zal regeren, is Jezus of Yeshua zoals u wilt, de Zoon van David! Het is dus duidelijk, dat de ultieme Tempel door niemand anders dan door de Messias zelf gebouwd zal worden, maar dat kan Hij uiteraard pas nŠ Zijn wederkomst doen en niet 7 jaar daarvůůr.

De Tempel die Johannes in Openbaring 11:1 beschrijft, kan derhalve onmogelijk dezelfde zijn, waar EzechiŽl en Zacharia het over hebben. De Tempel uit de tijd van Jezus kan Johannes ook niet bedoeld hebben, want die was immers al 25 jaar eerder verwoest. Het gaat dus om een heel andere Tempel en gezien het feit dat de herbouw van de Tempel in de Joodse traditie geassocieerd wordt met de komst van de Messias zal deze bouwmeester een valse Messias zijn, namelijk de Antichrist.

Denk ook aan de profetische aankondiging van Paulus: 2 Tessalonicenzen.2:3-4. Laat niemand u misleiden, op welke wijze ook, want eerst moet de afval komen en de mens der wetteloosheid zich openbaren, de zoon des verderfs, de tegenstander, die zich verheft tegen al wat God of voorwerp van verering heet, zodat hij zich in de tempel Gods zet, om aan zich te laten zien, dat hij een god is.

 

Franklin ter Horst (wordt vervolgd)