Uit het nieuws 08-04-2019

 

Door: Franklin ter Horst

Met dank aan het Bijbelstudieteam Jur van Calkar en Simonida Dijkhuis-Nijhof voor hun medewerking aan deze Bijbelstudie.

 

De openbaring van Johannes (deel 72)

Openbaring 20 (deel 3)

 

Openbaring 20:6 “Zalig en heilig is hij, die deel heeft aan de eerste opstanding: over hen heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen priesters van God en van Christus zijn en zij zullen met Hem als koningen heersen, [die] duizend jaren.”

 

Er is hier sprake van een schare mensen van de eerste opstanding. Met deze mensen is iets bijzonders gebeurd; zij zijn door Gods Woord tot bekering gekomen tijdens hun aardse leven en delen vervolgens in die zegen. Allen, die zich tijdens hun leven op aarde aan Jezus/Yeshua toevertrouwen, zullen deel hebben aan deze eerste opstanding. Over allen die in de eerste opstanding delen heeft de tweede dood geen macht.

 

Er is niets wat het plan van Jezus/Yeshua in de weg staat, zodat Hij alles in volmaakte orde zal afwikkelen. Zodra Jezus/Yeshua terugkomt, zal Hij gezien worden zoals de discipelen Hem hebben gezien na Zijn opstanding. Met Zijn menselijk lichaam zal Hij zich vertonen, en hetzelfde gebeurt met alle gelovigen. Met een verheerlijkt opstandinglichaam zullen alle gelovigen hun Koning ontmoeten. Matthéüs vertelt hier het volgende over:

 

Matthéüs 27:51-52-53 “En zie, het voorhangsel van de tempel scheurde van boven tot beneden in tweeën, en de aarde beefde, en de rotsen scheurden, en de graven gingen open en vele lichamen der ontslapen heiligen werden opgewekt. En zij gingen uit de graven na zijn opstanding en kwamen in de heilige stad, waar zij aan velen verschenen.”

 

Deze opstanding omvat alle gelovigen van alle eeuwen. Elke zondaar die zich bewust werd van de last der zonden en die de dekking zocht onder het reinigend bloed van Jezus/Yeshua, zal tot deze gezaligden behoren. Dood zijnde zullen zij weer leven, heeft Jesaja gezegd:

 

Jesaja 26:19 “Herleven zullen uw doden – ook mijn lijk –, opstaan zullen zij. Ontwaakt en jubelt, gij, die woont in het stof! Want uw dauw is een dauw van licht; en de aarde zal aan de schimmen het leven hergeven.

 

Groot zal het verschil zijn tussen de mensen die niet-en de mensen die in Jezus/Yeshua geloven. Dat verschil vinden wij ook in Daniël:

 

Daniël 12:2 “Velen van hen die slapen in het stof der aarde, zullen ontwaken, dezen tot eeuwig leven en genen tot versmading, tot eeuwig afgrijzen.”

 

Hoevelen zijn er thans afgeweken van de Waarheid. Zoals we zien sluiten deze profetieën volkomen aan bij wat Jezus/Yeshua heeft voorzegd. Ieder die Zijn woorden ter harte neemt, zal op machtige wijze gezegend worden. Zo zeker als Hij uit de dood is verrezen, zo zal er verrijzenis zijn voor alle gelovigen. Het is een erfenis, die is weggelegd voor een ieder die gelooft. De gelovigen hebben dus een geweldige toekomst. In het Duizendjarig Rijk zullen er geen tronen meer zijn van wereldleiders noch van kerken die het bloed van hun onderdanen veelvuldig hebben laten vloeien. Zodra Jezus/Yeshua de heerschappij en het Koningschap aanvaard heeft, zullen deze geweldige dingen gaan gebeuren.

 

We hebben de zekerheid vanuit Gods Woord dat satan straks gebonden zal worden en dat Jezus/Yeshua Overwinnaar zal zijn. De gouden draad van de toekomstige alleenheerschappij van God loopt door de gehele Bijbel. “De HERE regeert?” Deze bekende uitspraak vinden wij in de Psalmen 93, 96, 97 en 99, temidden van een merkwaardige reeks psalmen, die allemaal de komst van Jahweh, d.i. Christus, beschrijven, om het oordeel over de volkeren der aarde te voltrekken en Zijn troon op aarde te vestigen.Ze hebben dus geen betrekking op de tegenwoordige toestand, maar slaan profetisch op de toekomst, als Jezus/Yeshua regeert en satan in de afgrond gebonden is.

 

Daniël 2:44 “Maar in de dagen van die koningen zal de God des hemels een koninkrijk oprichten, dat in eeuwigheid niet zal te gronde gaan, en waarvan de heerschappij op geen ander volk meer zal overgaan: het zal al die koninkrijken verbrijzelen en daaraan een einde maken, maar zelf zal het bestaan in eeuwigheid…”

 

Het is de jubelzang van alle gelovigen en het omvat Joden en heidenen, die tot de kennis der waarheid zijn gekomen. Op de aardse koninkrijken volgt een rijk, dat in niets overeenstemt met de wereld zoals wij die kennen. Dit zal een rijk zijn waar gerechtigheid heerst:

 

Jesaja 32:1-2  “Zie, een koning zal regeren in gerechtigheid en vorsten zullen heersen naar het recht; en ieder van hen zal zijn als een beschutting tegen de wind en als een toevlucht tegen de stortbui, als waterstromen in een dorre streek, als de schaduw van een machtige rots in een dorstig land.”

 

Er is geen enkele twijfel mogelijk: er is een Koninkrijk aanstaande waar Jezus/Yeshua als Koning zal regeren over de hele aarde. Op diverse plaatsen zijn dit soort profetieën te vinden. Zo heeft de profeet Nathan het Koning David aangezegd:

 

1 Kronieken 17:11-12-13-14 “Wanneer uw dagen vervuld zijn om tot uw vaderen te gaan, dan zal Ik uw nakomeling na u doen optreden, een van uw zonen, en Ik zal zijn koningschap bevestigen. Die zal Mij een huis bouwen, en Ik zal zijn troon voor immer bevestigen. Ik zal hem tot een vader zijn en hij zal Mij tot een zoon zijn; mijn goedertierenheid zal Ik niet van hem doen wijken, zoals Ik haar van uw voorganger heb doen wijken. Ik zal hem voor immer in mijn huis en in mijn koninkrijk aanstellen, en zijn troon zal vast staan voor altijd.”

 

De regeerperiode van Jezus/Yeshua zal heel wat teweegbrengen op aarde. Heerlijke voorzeggingen zijn daarover gedaan door de profeten. Profetieën die we niet moeten vergeestelijken, maar die werkelijk vervuld zullen worden bij Zijn komst. Het is bedroevend, armzalig en teleurstellend deze prachtige voorzeggingen geestelijk toe te passen op de Kerk, of geloof hechten aan de idiote visie van preteristen alsof we nu al in het Duizendjarig Rijk zouden leven. Wat is het toch belangrijk dat de gelovigen een goed zicht hebben op het profetisch Woord van God!

 

In de tijd dat Jezus/Yeshua met Zijn discipelen op aarde wandelde, en hen onderwees, heeft Hij hen aangezegd wat er zou gaan gebeuren. Over het grote verlossingsproces heeft Hij hen volledig ingelicht. Hij sprak van Zijn lijden, van Zijn dood, van de haat van het Sanhedrin, maar bovenal van de opstanding. Is het niet bijzonder dat juist in onze tijd, waarin de voorbereidingen voor de bouw van de Derde Tempel in volle gang zijn, ook het Sanhedrin weer op het wereldtoneel is verschenen? Dat is gebeurd op 13 oktober 2004, de 28ste dag van de Joodse maand Tishrei, in de stad Tiberias aan het meer van Galilea.

Het Sanhedrin is vooral bekend vanuit Jezus/Yeshua’s tijd. Met Zijn triomfale intocht in Jeruzalem bracht Jezus/Yeshua veel beroering teweeg onder de opperpriester en de andere religieuze autoriteiten. Zijn zuivering van de Tempel van kooplieden, geldwisselaars etc., was een uitdaging aan het gezag van het Sanhedrin, die toestemden in de handel en daarvoor provisie ontvingen. Marcus en Matthéüs beschrijven hoe Jezus/Yeshua aan de vooravond van het Joodse paasfeest werd gearresteerd en ’s nachts voor de hogepriester en het volledige Sanhedrin, werd geleid.

Marcus vermeldt dat men bewijsmateriaal tegen Hem zocht, maar dat het onmogelijk was om- zoals de Joodse wet voorschreef- twee getuigenissen te vinden die met elkaar overeenstemden. In de mond van twee of drie getuigen zal elke zaak vaststaan:

2 Korinthiërs 13:1 “Dit is nu de derde maal, dat ik tot u kom: op de verklaring van twee getuigen of van drie zal ieder zaal vaststaan.”

Sommige ‘valse getuigen’ zeiden dat Hij zich tegen de Tempel had uitgesproken, maar zelfs hun verklaringen waren niet eensluidend. Het proces zou dus als een nachtkaars hebben kunnen uitgaan als de hogepriester niet gekomen was met een vraag waar het hele evangelie van Marcus om draait:

Marcus 14:61-62 “ Zijt Gij de Christus, de Zoon van de gezegende? En Jezus zeide: Ik ben het, en gij zult de Zoon des mensen zien, gezeten aan de rechterhand der Macht en komende met de wolken des hemels.

Deze uitspraak werd beschouwd als een godslastering en alle priesters waren het er over eens dat Hij ‘de dood verdiende’. De aanklagers verklaarden Hem schuldig aan godslastering maar niets van wat Hij gezegd of gedaan heeft kon echter volgens de Joodse wet als godslastering worden uitgelegd.

Het Sanhedrin was totaal verblind; het godsdienstig vertoon was slechts vorm. Zij hielden het volk in een ijzeren harnas van een vormengodsdienst. Jezus/Yeshua bestreed dit bedrog, de schijnheiligheid, machtsmisbruik en wreedheid en gebruikte duidelijke taal om Zijn misnoegen kenbaar te maken over de Farizeeën, de Sadduceeën en de Schriftgeleerden. Hij maakte ze uit voor huichelaars, blinde wegwijzers, uitzuigers, slangen en adderengebroed. Hij vergelijkt ze met rottende resten van een kadaver. Na een tweede zitting van het Sanhedrin werd Jezus voor Pontius Pilatus geleid.  

Jezus/Yeshua voor het Sanhedrin

Toen al heeft Jezus/Yeshua de kop van satan vermorzeld en zijn alle vernietigende krachten aan Hem onderworpen:

Colossenzen 2 : 15 “Hij heeft de overheden en machten ontwapend en openlijk tentoongesteld en zo over hen gezegevierd.

 

Zo zeker Hij eerst gesproken heeft van Zijn lijden en overwinning, zo heeft Hij ook gesproken over Zijn toekomstig Koningschap. Het eeuwig Koninkrijk onder leiding van Jezus/Yeshua is zeker, en nu is het van belang om na te gaan, wie mede met Hem de aarde zullen beërven:

 

Matthéüs 5:3-4-5 en 10 “Zalig de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen. Zalig die treuren, want zij zullen vertroost worden. Zalig de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven. Zalig de vervolgden om der gerechtigheid wil, want hunner is het Koninkrijk der hemelen.”

 

Het Duizendjarig rijk is voor de ware gelovigen door de eeuwen heen de hoop geweest dat zij eens met Jezus/Yeshua verenigd zouden worden en samen met Hem te mogen regeren. Er zijn altijd mensen geweest, die op God vertrouwden, maar vooral, die deze geloofsverwachting hebben uitgesproken en doorgegeven aan de navolgende geslachten.

 

Vanaf oude tijden is er verschil geweest tussen het Joodse volk en de anderen volkeren. Het grote verschil bestond in de godsdienst. Door het geloof dat Abram in God had, plaatste God hem in een bijzondere positie. Deze Abram heeft God tot een kanaal van Zijn zegen gemaakt. In Abraham volgde ook zijn nageslacht, wat een bijzondere plaats innam om als een priesterlijk geslacht het getuigenis van God uit te dragen, wat tot een climax kwam in de Ware Hogepriester, Jezus/Yeshua. Deze bijzondere positie van het Joodse volk hield echter niet in, dat andere volkeren van deze Godsopenbaring waren buitengesloten. We vinden dit bevestigd, wanneer de kinderen van Israël in hun land zijn aangekomen na hun vertrek uit Egypte. Bij de instelling van de wetten worden de vreemdelingen zeer beslist hun rechten toegezegd:

 

Leviticus 19:10 “Ook zult gij uw wijngaard niet afzoeken en het afgevallene van uw wijngaard niet oplezen; dit zult gij voor de armen en de vreemdelingen laten liggen: Ik ben de Here, uw God.”

 

Leviticus 19:34 “Als een onder u geboren Israëliet zal u de vreemdeling gelden, die bij u vertoeft; gij zult hem liefhebben als uzelf, want gij zijt vreemdeling geweest in het land Egypte: Ik ben de Here, uw God.”

 

De vreemdeling had dus ook recht van leven, want we lezen ook dat zij delen in de stoffelijke zegeningen:

 

Numeri 15:15 “…wat de gemeente betreft, éénzelfde inzetting zal gelden zowel voor u als voor de vreemdeling die bij u vertoeft; een altoosdurende inzetting zal het zijn voor uw geslachten: gij en de vreemdeling zullen voor de Here gelijk zijn.”

 

Deze vreemdelingen uit de heidenen delen dus ook in de geestelijke zegen van Israël. De deur van Gods genade heeft altijd opengestaan voor het Joodse volk, maar ook voor de vreemdelingen uit de heidense volken die vanwege Gods genade mochten meedelen in het verlossingsplan en daardoor mede-erfgenamen zijn geworden. Dat de heidenen ook zouden delen in de zegeningen van de Verlosser is reeds door Jesaja voorzegd:

 

Jesaja 42:1 “Zie, mijn knecht, die Ik ondersteun; mijn uitverkorene, in wie Ik een welbehagen heb. Ik heb mijn Geest op hem gelegd: hij zal de volken het recht openbaren.”

 

In Johannes 10 heeft Jezus/Yeshua gesproken, dat Hij de Goede Herder was, en dat Hij Zijn leven zou geven voor Zijn schapen. Het is bekend dat Hij sprak van de verloren schapen van het huis Israëls. Hij was gekomen om ze wederom te verzamelen:

 

Johannes 10:16 “Nog andere schapen heb Ik, die niet van deze stal zijn; ook die moet Ik leiden en zij zullen naar mijn stem horen en het zal worden één kudde, één herder.”

 

Jezus/Yeshua heeft Zijn schapen een vette weide toegezegd, zoals we lezen in Johannes 10:9. De dag nu dat alle schapen van de Goede Herder verzameld zullen zijn, is nog toekomst. De schapen uit het Joodse volk en uit de heidenen wachten nog op de openbaring van deze toekomstige heerlijkheid. In deze toekomstverwachting moeten we toch leven, omdat het in de Bijbel is vastgelegd. Zo voorzegt Jesaja het geweldige uitzicht dat alle gelovigen van alle eeuwen hebben:

 

Jesaja 52:7 “Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten van de vreugdebode, die vrede aankondigt, die goede boodschap brengt, die heil verkondigt, die tot Sion spreekt: Uw God is Koning.”

 

Jesaja spreekt van een wonderbare toekomst, en dat hij ook aangeeft, hoe de levensomstandigheden zullen zijn. De wereld zal gaan ervaren hoe God het werkelijk bedoeld heeft, hoe de mensheid behoort te leven in harmonie met zijn Schepper en met elkaar. In die tijd zal alles hersteld worden naar de wil van God. Er zal sprake zijn van een herschepping, van een herstel dat zich geleidelijk aan zal voltrekken. De aarde zal vol zijn van de kennis des Heren:

 

Jesaja 11:9-10Men zal geen kwaad doen noch verderf stichten op gans mijn heilige berg, want de aarde zal vol zijn van kennis des Heren, zoals de wateren de bodem der zee bedekken. En het zal te dien dage geschieden, dat de volken de wortel van Isaï zullen zoeken, die zal staan als een banier der natiën, en zijn rustplaats zal heerlijk zijn.

 

Habakuk 2:14Want de aarde zal vol worden van de kennis van des Heren heerlijkheid, gelijk de wateren die de bodem der zee bedekken.”

 

 

Franklin ter Horst