Uit het nieuws 05-08-2019

 

Door: Franklin ter Horst

 

Archeologen vinden bewijs over oorsprong Filistijnen

Archeologen van het Leon Levy Expedition-team blijken al in 2013 een begraafplaats van de in de Bijbel genoemde Filistijnen te hebben opgegraven rond de zuidelijke IsraŽlische stad Ashkelon maar hebben hun vondst pas begin juli 2019 bekend gemaakt. De leden van het team besloten hun ontdekkingen geheim te houden omdat zij bang waren voor protesten uit de hoek van de ultraorthodoxe Joden. Zij wilden eerst de opgravingen voltooid hebben voordat het nieuws bekend werd. Op deze manier werd er voorkomen dat er demonstraties of protesten plaats zouden vinden bij de archeologische opgravingen. Er wordt al ruim 30 jaar gezocht naar bewijzen over de aanwezigheid van de in de Bijbel genoemde Filistijnen. Op de begraafplaats liggen resten van 200 mensen. Mannen, vrouwen en kinderen. Een eerste analyse van het DNA dat werd aangetroffen in stoffelijke resten heeft unieke genetische inzichten opgeleverd in de herkomst van dit volk, dat in het Oude Testament als aartsvijand van de IsraŽlieten figureert. De archeologen zijn ervan overtuigd dat het om de Filistijnen gaat mede omdat er naast de menselijke resten parfumflesjes gevonden zijn. De Filistijnen stonden er om bekend om hun mensen met deze flesjes te begraven.

Het genetisch profiel van de gevonden skeletten bevat DNA dat bekend is van vondsten van menselijke resten uit Kreta, SardiniŽ en het Iberisch Schiereiland. De meest aanvaarde theorie onder archeologen is tegenwoordig dat de Filistijnen afkomstig zijn uit de Myceense beschaving in Griekenland of uit de MinoÔsche beschaving uit Kreta. Op Kreta verenigden zich de culturen van Mycene en Minos. Of er een relatie bestaat tussen deze hoogstaande culturen en de Filistijnen is echter niet helemaal duidelijk. Hun aardewerk, architectuur, militaire macht wijzen op Myceens Griekenland als land van herkomst.

Aardewerk Filistijnen

Al in de oudste literatuur over de Filistijnen wordt echter Kreta aangewezen als land van oorsprong. Een onderbouwing hiervan wordt geleverd door de oude naam van de Filistijnse stad Gaza (Minoa) een naam die aan diverse handelsposten werd gegeven die vanuit Kreta zijn gesticht.

Onderzoekers gaan ervan uit dat de bewoners vanwege een vulkaanuitbarsting of een aardbeving genoodzaakt waren hun woongebieden te verlaten. Zo ontdekte de Griekse professor Spyridon Marinatos, dat er zich tussen 1500 en 1300 v.Chr. een enorme vulkaanuitbarsting moet hebben voorgedaan op het eiland Thera, in de buurt van Kreta. De uitbarsting veroorzaakte enorme aardbevingen in de regio waarbij tevens reusachtige aswolken en gloeiende lava de lucht in werden geslingerd. Op overblijfselen van het eiland Thera, het huidige Santorini, zijn meters dikke aslagen gevonden.

De Filistijnen maakten deel uit van een mysterieuze groep stammen onder de noemer Zeevolken, die aan het eind van de 13e eeuw v.Chr. naar Egypte en Kanašn kwamen. Volgens Oudegyptische en andere historische bronnen waaronder Assyrische en Babylonische, waren deze zeevolken voornamelijk actief in het oostelijk Middellandse Zeegebied. Ook Egypte werd door hen opgeschrikt nadat ze vanaf hun schepen aan land gingen en aanvankelijk de ene na de andere overwinning behaalden. Soldaten van farao Ramses III richten echter een slachting onder hen aan. Na de nederlaag in Egypte trokken de Filistijnen naar op de kust van Kanašn waar zij een aantal steden op de Kanašnieten veroverden en vijf onafhankelijke Filistijnse stadstaten stichten: Ashkelon, Asdod, Gat, Gaza en Ekron- die elk werden geleid door een Ďseraniemí een vorst.

Filistijnse (?) (en andere) krijgsgevangenen op de dodentempel van Ramses III in Medinet Haboe.

Gedurende de 12e en 11e eeuw v.Chr. hadden de Filistijnen de hegemonie in het gebied, maar in de eeuwen daarna zagen ze hun macht tanen.

In meerdere Bijbelpassages worden ze als een Ďonbesnedení groep mensen omschreven, als een volk dat in het ďLand van KaftorĒ (het huidige Kreta) leefde, voordat ze het kustgebied in het zuiden van Kanašn koloniseerden:

Richteren 14:2-3 Hij keerde terug en deelde zijn vader en zijn moeder mee: Ik heb te Timna een vrouw gezien, een van de dochters der Filistijnen: nu dan, neemt haar mij tot vrouw. Maar zijn vader en zijn moeder zeiden tot hem: Is er onder de dochters van uw stamgenoten en onder heel mijn volk geen vrouw, dat gij een vrouw gaat halen bij de Filistijnen, die onbesnedenen?Ē

Archeologen zijn het erover eens dat de Filistijnen anders waren dan hun buurvolken en dat blijkt onder meer uit hun aardewerk dat duidelijke banden vertoont met de wereld van de oude Grieken, uit het gebruik van een AegeÔsch schrift en uit de consumptie van varkensvlees. De Bijbel maakt duidelijk dat het krijgslieden waren. Dank zij hun militaire overmacht en ook omdat zij als eersten ijzeren wapens gebruikten kregen zij in het conflict met IsraŽl steeds meer de overhand en drongen zij uiteindelijk steeds dieper het gebied van de stammen van IsraŽl binnen. Aanvankelijk vereerden de Filistijnen een godin, vermoedelijk de moedergodin uit de Myceense of MinoÔsche beschaving. Later namen zij ook Kanašnitische en Egyptische goden op in hun pantheon.

In Amos 9:7 wordt de uittocht van IsraŽl uit Egypte vergeleken met die van de Filistijnen uit Kafthor. In Zefanja 2:5 en EzechiŽl 25:16 worden ze het volk der Keretieten genoemd. Kafthor is de Hebreeuwse naam voor Kreta, en in de Bijbelse traditie worden de Filistijnen dan ook nauw geassocieerd met de Keretieten of Kretenzen en derhalve geen Semieten.

De Filistijnen tegenstanders van de kinderen van IsraŽl.

De Filistijnen zijn nadrukkelijk aanwezig in het Oude Testament en wel voornamelijk als de grootste vijanden van het volk van IsraŽl. De Bijbel noemt hen vijanden van Gods volk met een dodelijke en onverzoenlijke agressie. God zal hen laten oogsten wat zijzelf gezaaid hebben. Volgens Genesis 10:13-14 zijn de Filistijnen nakomelingen van MisraÔm, de zoon van Cham. Ze namen het op tegen hun IsraŽlitische buren en hadden zelfs een tijdlang de Ark des Verbonds in hun bezit want nadat ze de IsraŽlieten bij de slag van Afek hadden overwonnen, roofden ze de ark en namen haar mee naar Asdod waar zij in de tempel van hun god Dagon werd gezet. (1 SamuŽl 5:1 t/m 12). Na zeven maanden van ellende begrepen de Filistijnen dat het geroofde eigendom van IsraŽlieten een dodelijk gevaar voor ze betekende en besloten ze de ark aan de rechtmatige eigenaars terug te geven.

Een van de beroemde kampioenen van de Filistijnen was de reus Goliath. Uitgaande van zijn lengte was hij waarschijnlijk geen Filistijn maar een Refaiet. Alle Filistijnse skeletresten die tot nu toe zijn ontdekt, waren niet groter of anders dan mensen van normale grootte. Goliath maakte daarop een uitzondering. De Bijbel noemt namelijk vele afstammelingen van de RefaÔten die tot het reuzengeslacht behoorden en aan de zijde van de Filistijnen streden tegen IsraŽl.

1 SamuŽl 17:5-6-7 ďToen trad een kampvechter uit het leger der Filistijnen naar voren. Hij heette Goliat, uit Gat. Hij was zes el en een span lang. Een koperen helm had hij op zijn hoofd, en hij was bekleed met een geschubd pantser; het gewicht van dit pantser was vijfduizend sikkels koper. Aan zijn benen had hij koperen scheenplaten en op zijn schouder droeg hij een koperen werpspies. De schacht van zijn lans was als een weversboom, en de punt van zijn lans was van zeshonderd sikkels ijzer. En een schilddrager ging voor hem uit.Ē

Het opschrift in de siloamtunnel, die 525 meter lang is, meldt dat de tunnel 1200 ellen is; een el was dan dus 43,75 cm. Zes ellen en een span zou betekenen dat Goliath meer dan 2,85 meter lang was. Hij droeg een koperen helm en scheenbeschermers en torste een zwaar koperen schild met zich mee en een enorm zwaard. Daarnaast droeg hij een harnas dat 5000 sikkelen woog, dat is ongeveer 36 kilo. Bovendien had hij een speer met een stok zo groot als een weversboom en een punt die 600 sikkelen ijzer woog, ruim 4 kilo.

Detail from Gustave Dorťís 1866 ĎDavid Slays Goliathí from Samuel I 17:49-51. (public domain via wikipedia)

Gegevens over het bestaan van Goliath gevonden in de Filistijnse stad Gath.

De opgravingen tonen ongewoon grote vestingwerken uit de 11e eeuw v.Chr. Supergrote indrukwekkende overblijfselen van "enorme" architectuur en vestingwerken gebouwd met extreem grote stenen. De datering volgt de chronologie van de koningen van IsraŽl en Juda. De monumentale architectuur heeft veel grotere afmetingen dan alles wat men tot nu toe heeft opgegraven. De stad was buitengewoon groot en zou een oppervlakte van 500 dunams (123,5 hectare) beslaan. Toen het oude Jeruzalem een ​​paar honderd jaar later op zijn hoogtepunt was, zou het 400-500 dunams hebben bereikt.

Vooral in de 11e eeuw v.Chr. werd de strijd met de Filistijnen een bedreiging voor de stam Juda met name in de tijd van de richters Simson en SamuŽl. Maar naar verloop van tijd kregen de IsraŽlieten steeds meer de overhand. Na de nederlagen tegen David vermindert hun machtspositie aanzienlijk en werd aan hun expansie een definitief einde gemaakt. De Assyrische annalen maken rond 800 v.Chr. nog wel melding van de ďPilisti of PalastuĒ maar hun rol was toen al praktisch uitgespeeld. Aan hun volksbestaan is een einde gekomen onder Nebukadnessar, die in 604 v.Chr. een aanval deed op Ashkelon en later de koningen van Gaza en Asdod en de vorsten van Ashkelon deporteerde waarna ze vervolgens uit de geschiedenis verdwenen.  

Toen de Filistijnen als voorname politieke factor verdwenen waren, bleef het gebied waar ze hadden gewoond hun naam dragen. De Grieken, die vanaf 700 v.Chr. regelmatig de zuidelijke kust van IsraŽl bezochten, hoorden de naam in het Hebreeuws ĎPelisjtimí en noemden het hele land daarom íPalestiní. De Griekse reiziger en historicus Herodotus noemde het gebied ĎSyria hť palaistinťí het Filistijnse SyriŽ, om het te onderscheiden van het Fenicische SyriŽ dat noordelijker lag. Herodotus noemde dus het hele land Kanašn ten onrechte naar de Filistijnen. De Perzen noemden dit gebied van hun grote rijk ĎJehoudí (Juda) en deze benaming werd overgenomen door alle heersers die daarna dit gebied veroverden. Als officiŽle naam werd Palestina ingevoerd door de Romeinse keizer Hadrianus ( 117-138) n.Chr. die op deze wijze doelbewust de Joodse aanspraken op het land probeerde te vernietigen. Van 1072 tot 1917 duidde men het gebied aan met "Het Heilige land". In 1917 noemden de Britten het weer Palestina.

Eindtijd profetieŽn maken opnieuw melding van Filistijnen.

Terwijl er al meer dan 2500 jaar niets meer van de Filistijnen is vernomen, komen ze toch weer voor in de verschillende profetieŽn over de eindtijd. De profeet Zacharia maakt duidelijk dat we hier te maken hebben met een Ďbastaardvolkí:

Zacharia 9:5-6 ďAshkelon zal het zien en vrezen, ook Gaza, en het zal hevig beven, en Ekron, omdat zijn verwachting zal beschaamd worden; dan zal de koning uit Gaza verdwijnen en Ashkelon zal onbewoond zijn. Dan zal een bastaardvolk in Asdod wonen, en Ik zal de trots der Filistijnen uitroeien.Ē

De Filistijnen van de oudheid waren geen bastaards. Het is nooit van de Filistijnen uit het verleden gezegd. Het gaat om Arabieren die zich pas sinds 1964 Palestijnen noemen. Tijdens de oprichting van de Palestinian Liberation Organisation (PLO) namen de Arabieren volledig ten onrechte de naam ĎPalestijnení aan en suggereert men sindsdien, dat ze al duizenden jaren als volk bestaan in dat gebied. Maar de geschiedenis vertelt helemaal niets over een Palestijns volk. Dat wat men thans Palestijnen noemt zijn etnisch gezien grotendeels gewoon Arabieren. Het huidige Gaza is het oude Filistijnse gebied en de Arabieren die daar nu wonen koesteren dezelfde haat tegen de Joden, als de Filistijnen vroeger deden.

In Obadja staat in vers 19, dat het huis van Jakob (IsraŽl) in de eindtijd o.a. de laagte, het land der Filistijnen in bezit zullen nemen. De profeet Zefanja is er heel duidelijk over hoe het met de bastaard Filistijnen aflopen zal (Zefanja 2:4-5-6-7). De kust (Gaza) zal ten deel vallen aan het overblijfsel van het huis van Juda. De profeet Amos maakt duidelijk dat de Here vuur zal werpen binnen de muur van Gaza zodat het zijn burchten verteerd en de profeet JoŽl spreekt van vergelding op de hoofden van de inwoners van de landstreken van Filistea waarmee Gaza met haar Arabische inwoners bedoeld wordt.

De apostel Paulus zegt: ĎKretenzers zijn onverbeterlijke leugenaars, gemene beestení (Titus 1:12) Alles draait bij de bastaard Filistijnen van deze tijd om leugens zodat niemand meer weet wat waar is of niet. De IsraŽl hatende lobbygroepen en de verschillende terreurgroepen waaronder ook de Libanese terreurbeweging Hezbollah wedijveren met elkaar wie de meest hatelijke leugens over IsraŽl verspreiden. Het is een ingewortelde haat. Hun vijandschap komt uit hun hart. Dat is precies wat de Arabieren die zich Palestijnen noemen vandaag laten zien. En omdat de wereld deze leugens gelooft, zal God ook de wereld met verblinding treffen

De intenties van de bastaard Filistijnen zijn door de jaren genoegzaam bekend geworden als men zich tenminste geen rad voor ogen heeft laten draaien. Het gaat tussen de God van IsraŽl, de God van Liefde, Gerechtigheid en Leven en de god van de tegenstander, de god van haat, wraak en moord, die dat "heilige oorlog" (Jihad) noemt. De Bijbel maakt duidelijk dat er een oordeel zal komen over de eindtijd Filistijnen omdat zij zich op een barbaarse manier aan Gods oogappel hebben vergrepen.

Franklin ter Horst