Het mysterie van de Dropa Stenen

Door: Franklin ter Horst (Aangemaakt: 2 januari 1996)

In 1938 deed de Chinese archeoloog Tsji Poe Tei, met een aantal collegaís tijdens een archeologische expeditie in de grotten van het Bayan-Kara-Ula hooggebergte in het grensgebied tussen China en Tibet, een zeer merkwaardige ontdekking. Terwijl de groep bezig was met opgravingen, stuitten zij bij het openen van een aantal graven op 716 granieten schijven met tekens in een soort hiŽrogliefenschrift. Elke plaat had een cirkelvormig gat van 2 cm in het midden, een diameter van 22,7 cm en was 2 cm dik. Net als de ons bekende langspeelplaten hadden de schijven een gat in het midden van waaruit een dubbele groef spiraalsgewijs naar de buitenkant draaide. Deze groeven waren voor zover men kon ontdekken geen geluidtekens, maar stelden een volslagen onbekend schrift voor. Jarenlang bekommerde niemand zich meer om de schijven totdat in 1962 prof.Tsu-Um-Nui, een lid van de archeologische academie van Peking zich met de opgeborgen relicten ging bezig houden. Hij en een aantal andere deskundigen braken zich aanvankelijk de hersens bij hun pogingen het onbekende schrift op de schijven te ontcijferen. Toen ze hierin uiteindelijk waren geslaagd bleek het resultaat zo verbluffend dat de academie voor Prehistorie de publicatie aanvankelijk verbood. In 1974 zag een Oostenrijkse ingenieur, Ernst Wegerer, twee van dergelijke schijven in het Banpo Museum in Xian. Hij nam in totaal vier foto's. Toen ook anderen de schijven wilden zien bleken de stenen verdwenen. De Chinese autoriteiten verklaarden dat de stenen waren vernietigd, en weigerden verder elk commentaar

De door Ernst Wegener genomen foto.

Na lang aandringen werd er uiteindelijk toch toestemming gegeven en presenteerde prof.Tsu-Um-Nui het resultaat aan de pers. De tekst op de schijven bleek te handelen over de Dropaís en de Chamís, een volk dat uit de hemel gekomen zou zijn. Hun toestellen zouden volgens de letterlijke vertaling van de ingegrifte hiŽrogliefen, bij de landing op aarde zijn beschadigd en daardoor geen kracht genoeg meer hebben gehad de aarde weer te verlaten. Tevens zou de bemanning geen mogelijkheden en materiaal hebben gehad om hun voertuigen te repareren. Volgens Chinese overleveringen zouden er in het gebied van Bayan-Kara-Ula kleine gele broodmagere wezens uit de wolken zijn gekomen. Deze wezens waren zo afzichtelijk lelijk en weerzinwekkend geweest dat de omwonende bergstammen jacht op hen hadden gemaakt waarbij ze veel van de dwergwezens zouden hebben gedood. De wezens waren uitgerust met enorme grote hoofden en armen die tot op de knieŽn reikten.

Uiteindelijk hadden de aardbewoners begrepen dat de vreemdelingen uitsluitend vreedzame bedoelingen hadden en waren tenslotte tot een goede verstandhouding met ze gekomen. Prof. Tsu-Um-Nui die door de granieten schijven inmiddels zeer nieuwsgierig geworden was ondernam in navolging van de archeoloog Tsji-Poe-tei, een expeditie naar de grotten van Bayan-Kara-Ula. Hij ontdekte in holengraven talrijke skeletten van wezens met een lengte van maximaal 1.30 meter. De wezens hadden een sierlijke lichaamsbouw maar hun hoofden waren ongeproportioneerd groot. De eerste expeditie die de grotten had ontdekt meenden een uitgestorven soort bergaap op het spoor te zijn gekomen maar voor zover men weet begraven apen elkaar niet en maken zij zeker geen hiŽrogliefen op granieten schijven.

Dat het hier dus niet ging om een uitgestorven soort bergaap was inmiddels wel iedereen duidelijk geworden. Vele westerse archeologen waren niet echt blij met de vondst want het deed alle antropologische classificaties van rassen op aarde in elkaar storten. Men andere woorden, men wist er absoluut geen raad mee. Archeologen en Antropologen die waarde aan hun naam en faam hechten deden er het zwijgen toe of glimlachten superieur als hen om een mening gevraagd werd. Het was hun inziens beter te zwijgen dan de geschiedenis van Bayan-Kara-Ula serieus te nemen. Het zou betekenen dat ze aanzienlijke delen van hun eigen hypotheses moesten opgeven.

De Chinezen echter die verdere behoefte hadden aan informatie maakten de schijven zorgvuldig schoon en stuurden deze naar Moskou. De Russische wetenschapper Dr. Viatcheslav Zaitsev publiceerde in 1968 uittreksels van het verhaal in het Sputnik Magazine. Deze wetenschapper deed verdere naspeuringen en ontdekte meerdere interessante feiten. Hij ontdekte dat de schijven een vrij hoog gehalte aan kobalt en metaal bezaten. Ook ontdekte hij een verbazingwekkend trillingsritme alsof de schijven met een grote elektrische kracht geladen waren. Viatcheslav meende dat de trillingen een ons onbekend type geluidsgolven voorstelden die waarschijnlijk een nog kostbaarder boodschap inhouden dan het ontdekte lijnschrift.

Op de wanden van de grotten van Bayan-Kara-Ula, ontdekte Tsu-Um-Nui onder meer grotschilderingen van wezens met ronde helmen. Daarnaast vonden ze tekeningen van de opgaande zon, de maan en sterren. Deze hemellichamen waren met de aarde verbonden door middel van een reeks punten.

In 1995 verscheen het opmerkelijk nieuwsbericht uit China dat men in de provincie Sichuan, dat ten oosten ligt van het Baian-Kara-Ula gebergte, een stam van 120 mensen heeft ontdekt die niet door antropologen geclassificeerd konden worden. Het ging om een volslagen onbekend ras met een zeer vreemd uiterlijk. Ze waren niet Chinees, Mongools of Tibetaans. Ze hadden een gele huid, magere lichamen en hoofden van buiten-proportionele afmetingen en grote ogen en een geringe lichaamsbeharing. Hun lengte bedroeg maximaal 1.30 meter. De kleinste volwassene heeft slechts een lengte van 85 cm.

Terug naar: Inhoud